maandag 31 augustus 2009

Hij is weer voorbij die mooie zomer: een laatste terugblik

De Pyreneeën, het festival van Avignon, de Stille Kempen, Pirou in de Normandische Cotentin, Antwerpen en Bourgondië vormden het decor van de voorbije twee maanden. Beetje gewerkt, ook wel wat stoom afgelaten. Het harde labeur kan weer beginnen.
Maar eerst kijk ik nog eens terug op wat voorbij is. Met dank aan Dennis Van den Broeck die volgend zelf gemonteerd filmpje op YouTube publiceerde, een kleine herinnering aan mijn passage in de Tour de France.

vrijdag 28 augustus 2009

Deus ex Machina: Schrijven in Franstalig België

Themanummer van literair tijdschrift Deus Ex Machina over schrijvers in Franstalig België.
  • Deus Ex Machina heeft zich de laatste jaren ontwikkeld tot een pertinent literair tijdschrift, en doet zijn reputatie alle eer aan met het themanummer Een andere taal. Schrijven in Franstalig België. Samenstellers Hilde Keteleer en Kris Lauwerys slagen erin om een mooi evenwicht te vinden tussen beschouwende en literaire teksten.
  • Literatuurprofessor Kris Peeters schetst een degelijke status quaestionis over de status van de Belgisch-Franse literatuur ten opzichte van de letteren van het moederland. De netjes over het nummer verspreide vragenlijsten met antwoorden van uiteenlopende auteurs Caroline Lamarche, Thomas Gunzig en Jean-Philippe Toussaint en schrijver-uitgever Francis Dannemark vormen zinvolle, subjectieve kanttekeningen bij Peeters' essay.
  • Volgens Francis Dannemark maken Belgische auteurs "minder uitgebreid gebruik van de mogelijkheden van de klassieke retorica" en hanteren ze "een beduidend armer lexicon dan dat van hun Franse collega's".
  • Hij voegt er wel aan toe dat dat Belgen dan weer wel vaak "een heel persoonlijke stijl hebben, die veel minder door het gewicht van de Franse literaire traditie is getekend." Thomas Gunzig stelt met een intelligente knipoog dat "er niet zoiets bestaat als een eigenheid van de Belgisch-Franstalige literatuur tenzij men er naar op zoek gaat."
  • Ook het departement fictie is de moeite. Rokus Hofstede vertaalt een onbekende tekst van Henri Michaux en becommentarieert diens complexe verhouding met Antwerpen. Absoluut hoogtepunt op literair vlak is het door Hilde Keteleer vertaalde kortverhaal Imbrogliopolis. De taal van de Yapoes van Bernard Quiriny, een Waal die in Bourgondië leeft en werkt, en zijn boeken uitgeeft bij een Franse uitgever.
Psychopathische hond
  • "In plaats van hun spruiten Piet, Paul of Margriet te noemen, geven (de Yapoes) hen de naam 'Ik', 'Je', 'Hij', 'Zij', 'Ze', 'Jou', 'Jij' of 'Hem'. Het merkwaardige van die naamgeving valt niet meteen op. Om u een idee te geven: beeld u in hoe uw leven er zou uitzien als u 'Je' zou heten: u zou op straat elke keer omdraaien als iemand zich tot iemand anders zou richten in de tweede persoon enkelvoud, als een psychopathische hond."
  • Quiriny's ontleding van de geheimzinnige taal van de Yapoes is een welhaast Borgesiaanse parabel die glanst van intelligentie en humor. Hopelijk komt een Vlaamse uitgever op het idee om uit te zoeken of de rest van zijn oeuvre even verrassend en boeiend is.
  • Als literair doorgeefluik enerzijds en essayistisch reflectieorgaan anderzijds vertolkt Deus Ex Machina met Een andere taal knap zijn rol als literair tijdschrift. Het is tevens een mooi afscheid voor redactielid Kris Lauwerys die na jaren sturend werk zijn engagement stopzet om zich meer te kunnen concentreren op zijn werk als literair vertaler.
Deus Ex Machina, Een andere taal. Schrijven in Franstalig België, juni 2009, nr. 128 Prijs: 8 EUR

zondag 23 augustus 2009

Luc Rasson: "De macht van het woord" (1999)

Exact tien jaar geleden publiceerde Luc Rasson De macht van het woord. Bij wijze van jubileum een kleine herinning aan dit interessante boek.

In geen enkel land is de band tussen literatuur en politiek zo innig als in Frankrijk. Een traditie die teruggaat tot Voltaire en Hugo, maar het is vooral in het zog van Zola's spectaculaire tussenkomst in de Dreyfus-zaak dat schrijvers beseffen dat ze als intellectueel iets kunnen betekenen. Op voorwaarde weliswaar dat ze hun ivoren toren verlaten om kritische artikelen te schrijven en zonodig zelfs op straat verschijnen.

Luc Rasson, hoofddocent Franse literatuur aan de UFSIA, interesseert zich al jaren voor de 20e-eeuwse Franse literatuur die de taal uitspeelt als een maatschappelijk breekijzer, en publiceerde onlangs zijn bevindingen. Een selectief parcours, waardoor interessante figuren als André Malraux en François Mauriac jammer genoeg uit de boot zijn gevallen, dat aan de hand van een vijftiental auteurs niettemin een duidelijk beeld schept van een typisch Franse problematiek.

Aanvankelijk geloofden de Franse schrijvers van deze eeuw nog in de maatschappelijke relevantie van het woord. "Nous sommes la grande force, avec notre encre et nos plumes", aldus Zola. Literatuur kan de wereld veranderen. Pacifisten als Barbusse, Rolland en Giono zetten n.a.v. W.O.I hun woorden in tegen kanonnen, in een poging alle mooipraterij die de ware oorlog verhult te ontmaskeren en de lezer bikkelhard te confronteren met de lichamelijke vernietiging.

Nizan, Vailland en Sartre gaan – de een al wat langer dan de andere- een communistisch engagement aan, net zoals Céline (mooi geregistreerd als "reactionair modernist"), Brasillach en Drieu la Rochelle aanklopten bij het fascisme. "Dankzij de megafoon die de partij aanrijkt, kunnen je woorden aan slagkracht winnen"

De teksten van de vernoemde auteurs tonen echter tegelijk aan dat woorden geen gevolg hebben. Rassons analyse van de vergeten roman Vérité (1902) van Zola, een romaneske kijk op de Dreyfusaffaire, bewijst dat reeds daar twijfels omtrent de macht van het woord opduiken. De auteur van J'accuse speelt, aldus Rasson, een dubbele voortrekkersrol.

De loskoppeling van taal en werkelijkheid werd trouwens al door Rimbaud en Mallarmé opgemerkt, maar zou pas diep in de 20e eeuw als dusdanig onder ogen gezien worden. Het is deze breuk, het "verbroken contract" volgens George Steiner, die de Antwerpse literatuurdocent aan de hand van een aantal belangrijke en minder belangrijke auteurs illustreert.

In de tweede helft van onze eeuw "leert men leven met de melancholie van het kreupele woord". Yourcenar, Castillo en Makine beseffen de beperkte politieke draagkracht van literatuur, maar blijven wel schrijven, o.a. om in het reine te komen met het verleden toen men de literatuur nog krachten toedichtte die ze uiteindelijk niet bleek te bezitten. Een bijstelling van de mogelijkheden als het ware, waarbij de relevantie van het woord vooral geput wordt uit haar interpretatiepotentie of om het met Max Frisch' woorden te zeggen: "Als de literatuur er niet was, zou de wereld niet anders verlopen, maar wel anders gezien worden."

Interessant is dat Rasson ook even de Hexagoon verlaat en een blik werpt op de hedendaagse Algerijnse literatuur waar woorden hun greep op de werkelijkheid nog niet lijken verloren te hebben. Een functioneel notenapparaat en beknopte bibliografie sluiten het werk af.

Qua toon, stijl en inhoud ligt dit boek in het verlengde van Rassons colleges op de UFSIA. Hij voert zijn betoog op een heldere manier, waarbij een onbetwistbare kennis van zaken, tekstuele inzichten en functionele anekdotiek hand in hand gaan. Hij publiceerde al een drietal werken in het Frans (o.a. over Brasillach), telkens voor een overwegend universitair doelpubliek. Lovenswaardig is dat de docent letterkunde nu en dan zijn academische toren verlaat om de lezer uitgebreid in het Nederlands verslag te doen van zijn leeservaringen.

Dit vandaag nog altijd erg lezenswaardige boek vormt een warme uitnodiging aan het adres van andere academici om op gezette tijden Rassons voorbeeld te volgen. Momenteel werkt hij aan een nieuw Nederlandstalig boek waarin hij verslag zal doen van zijn lectuurervaringen van de voorbije tien jaar.

    • Luc Rasson, De macht van het woord. Literatuur en politiek in het twintigste-eeuwse Frankrijk, Pelckmans, 1999. // Laatste boek: L'Ecrivain et le Dictateur. Ecrire l'expérience totalitaire, Imago éditions, Paris, 2008, 231 blz. // Andere publicaties en meer informatie vindt u hier.

      zondag 16 augustus 2009

      Met de snelheid van een postkoets: de ontdekking van Frankrijk door Graham Robb

      Een fiets en een bibliotheek, meer had Graham Robb niet nodig om Frankrijk te leren kennen.
      • De Brit Graham Robb, geprezen auteur van biografiëen over Balzac en Hugo, stelde op een dag vast dat zijn indrukwekkende kennis van de Franse cultuur eigenlijk niet veel verder reikte dan de buitenste boulevards van Parijs en het wedervaren van de grootste Franse schrijvers en koningen.
      • Die vervelende onwetendheid vormde het startschot voor een wel erg bijzondere onderneming: de ontdekking van Frankrijk. Hij haalde zijn fiets van stal en reisde het land door 'met de snelheid van een negentiende-eeuwse postkoets'. Die tocht stelde hem in staat om geleidelijke veranderingen in het landschap te registreren, oude veepaden of richelwegen te volgen en om talloze mensen te ontmoeten.
      • Tussen de reizen door dook hij in ontelbare boeken. 'Dit boek is het resultaat van ruim tweeëntwintigduizend kilometer in het zadel en vier jaar in de bibliotheek', heet het.
      • In het eerste deel graaft Robb op antropologische wijze in het verleden van de verschillende Franse bevolkingsgroepen. De auteur legt de leefwereld van de modale Fransman bloot vanaf het tijdperk van Lodewijk XIV tot vandaag, een universum dat zich tot aan de uitvinding van de fiets en de trein beperkte tot een straal van twintig kilometer en 'een bevolking die gemakkelijk in een kleine schuur paste'.
      • Een verhaal van weersomstandigheden, ziekte, racisme, onwetendheid, bijgeloof, pelgrimspaden en onbegrijpelijke dialecten. Ter illustratie: in 1880 kon ongeveer een vijfde van de Franse bevolking een gesprek voeren in de moedertaal; een gedreven taalpolitiek zou daar verandering in brengen.
      • In het tweede deel brengt hij het land letterlijk in kaart. Van de eerste pogingen van de achttiende-eeuwse cartografenfamilie Cassini via de ontdekking van de Gorges du Verdon in 1906 tot de twintigste-eeuwse discussies over welke plek het geografische middelpunt van de Franse Zeshoek is.
      • Dankzij die eerste kaartenmakers kon de romantische schrijver Prosper Mérimée bijvoorbeeld het land doorkruisen en in zijn hoedanigheid van inspecteur van historische monumenten vanaf 1834 heel wat fraais van de ondergang redden. Frankrijk dankt aan de auteur van Carmen (1847) niet alleen het behoud en de restauratie van de Pont du Gard en de basiliek van Vézelay, maar ook van de kathedralen van Laon en Straatsburg.
      • Robb herlas de eerste reisgidsen van eeuwen geleden, en kan zo van naaldje tot draadje aantonen hoezeer de aanblik van het land in de loop van de laatste honderdvijftig jaar is veranderd. Daarbij toont hij en passant aan dat het vooral de verkoopstrategieën van naar Parijs afgezakte commerçanten waren die ervoor zorgden dat bepaalde producten nadien uitgroeiden tot klassieke streekproducten.
      • Of dat de eerste ansichtkaarten uit de negentiende eeuw met Bretonse dames in traditionele klederkracht eigenlijk ongeloofwaardige tafereeltjes zijn uit een wereld die allang verdwenen was. De zo vaak bezongen authenticiteit blijkt vaak niet veel meer dan een gewiekste marketingvondst.
      • De ontdekking van Frankrijk is een historische reisgids waarin 'Frankrijk' meer betekent dan Parijs en een handvol historische figuren. Robb begeeft zich mijlenver van platgetreden paden, en brengt zoveel informatie samen dat zijn monnikenwerk makkelijk de grondstof kan vormen voor een tiental andere boeken.
      • Nu en dat zit die accumulatie van kennis de organische opeenvolging van hoofdstukken en verhaallijnen in de weg, maar die goudmijn aan functionele anekdotes en wetenswaardigheden doet de lezer tegelijkertijd net hongerig doorlezen. Dit vuistdikke boek is een bezielde, deskundige en overrompelende ontdekking van een land dat niet ophoudt tot de verbeelding te spreken.
      • Graham Robb, Geboren in Manchester in 1958. Schreef biografieën over Victor Hugo, Honoré de Balzac en Arthur Rimbaud. Kreeg voor De ontdekking van Frankrijk de Royal Society of Literature Ondaatje Prize 2008. Werkt momenteel aan een geschiedenis van Parijs.
      • Graham Robb - De ontdekking van Frankrijk, Vertaald door Suzan de Wilde, Uitgeverij: Atlas, Aantal pagina's: 462, ISBN: 978-90-450-0788-5
      • Dit stuk verscheen in het weekblad Knack (12/8/2009).

      zondag 9 augustus 2009

      Maltête van de maand (3): indrukwekkende brand

      • Voortaan zal ik maandelijks bloemlezen uit het fotografische werk van René Maltête (1930-2000), een oeuvre waar de kwinkslag nooit ver weg is.
      • Wie is René Maltête?
      • De voorlopige reeks van Maltête van de maand.

      zondag 2 augustus 2009

      Treurig veld. Over Victor Hugo en douaneperikelen


      De francofiel in mij moest even slikken toen ik onlangs hardhandig aan de grens tot staan werd gebracht. Gelukkig zat de redding in mijn broekzak.
      • Ik sta op het punt om de grensovergang in Halluin-Rekkem te passeren. Het is even na middernacht en Rijsel wenkt in de verte. Per vergissing neem ik de weg die voorzien is voor bussen. Plots zie ik iemand gebaren dat ik moet stoppen, wat ik ook doe, maar blijkbaar niet snel genoeg, want een douane gooit me vanop meer dan tien meter afstand de gevreesde “stop stick” voor de wielen. Mijn linkervoorband wordt aan flarden gereten. Drie mannen komen aanlopen. “Pourquoi roulez-vous à cette allure?”, wordt me toegeblaft. Ze zijn er zeker van dat ik iets te verbergen heb. Nauwgezet onderzoeken ze mijn wagen. Tevergeefs natuurlijk. Dan flakkeren hun ogen op wanneer ik mijn koffer open. “Qu’est-ce que vous transportez dans ces cartons?” Dan wordt het me even teveel. Ik zet de dozen op de grond, open ze, haal er enkele boeken uit, en hoor mezelf roepen: “Voilà mes drogues: je suis écrivain et je trafique mes propres bouquins!”.
      Toch moet ik mee naar het bureau waar ze me nog twee uur laten wachten. Ik haal dan maar een boekje uit mijn binnenzak. De mooiste van Victor Hugo, geselecteerd en vertaald door Koen Stassijns, bij mijn weten de eerste die zich waagt aan een vertaling van een aanzienlijke dosis poëzie van Frankrijks vaderlandse dichter bij uitstek. En ik begin te lezen. Eerst in stilte, maar Hugo’s krachtige verzen roepen om hardop gelezen te worden, dus al snel zit ik vinnig te fezelen. Mijn ergernis smelt. Een vrouwelijke douanebeambte gluurt over mijn schouder. “Victor Hugo” zegt ze. Ik kijk om, en zie hoe ze me spontaan “Waterloo, morne plaine” toefluistert. “Frontière, morne plaine”, wil ik zeggen, maar vraag haar maar of ze ook het vervolg kent van de zowat beroemdste verzen uit de Franse poëzie. Haar “neen” bewijst hoezeer Hugo verworden is tot een dichter van enkele alom gekende verzen. Ik wijs naar de tweetalige bundel in mijn handen.

      En plots bevinden we ons op het slagveld van Waterloo dankzij Hugo’s onverslijtbare beschrijving van Napoleons ondergang: “Waterloo! Waterloo! Waterloo! morne plaine! / Comme une onde qui bout dans une urne trop pleine. / Dans ton cirque de bois, de coteaux, de vallons, / La pâle mort mêlait les sombres bataillons.” Deze in Astérix chez les Belges heerlijk gepersifleerde verzen (“Waterzooï! Waterzooï! morne plat!”) klinken bij Stassijns als volgt: “Waterloo! Waterloo! Waterloo! treurig veld! / Zoals een golf in een te volle urne welt, / Is in je bos, je dalen, heuvels af en aan / De dood in trieste regimenten opgegaan.”

      De vrouw lijkt wat te ontdooien. Ik vraag haar tevergeefs of ze al in Villequier is geweest, en vertel dan maar haar hoe zijn dochter Léopoldine er in de Seine verdronk. Ik blader naar het klassieke, maar daarom niet mindere aangrijpende Demain dès l’aube à l’heure où blanchit la campagne dat Hugo na haar dood uit zijn getraumatiseerde pen schudde. Stassijns giet het gedicht in een uitgebalanceerde vertaling (Voor dag en dauw als licht al aanbleekt op het lover) die andere geïsoleerde pogingen uit ons taalgebied naar de archieven verwijst. De dame kent tot mijn verbazing het gedicht niet, maar vindt het “très joli”. Ze zet zich weer aan het werk.

      Het is onvoorstelbaar hoeveel poëzie de gigant in zijn leven bij elkaar schreef, en al even onbegrijpelijk hoe makkelijk hij de Franse taal naar rijmende verzen kon plooien. Of hij nu emotionele problemen wou verwerken of politieke commentaar formuleren, de man drukte zich spontaan uit in lyrische verzen. Ik herlees hier zijn eerste romantische gedichten, zijn indrukwekkende poëtische verwerking van de geschiedenis in La Légende des siècles (1859-1883), maar ook de intimistische Contemplations (1856) en de tot poëzie verstilde woede uit Les Châtiments (1853). Stassijns weet de vaak onvertaalbaar geachte verzen van Hugo niet alleen erg mooi, maar ook nog eens rijmend én getrouw aan het aantal versvoeten in onze moedertaal te ontvouwen. Hugo’s misschien wel té monumentale dichterlijke oeuvre (alleen al Les Contemplations is zowat even dik als het verzameld werk van de gemiddelde dichter) wordt in dit boekje bovendien geslaagd tot verteerbare proporties gebloemleesd.

      De douaniers hebben ondertussen hun onderzoek afgerond, en nu blijk ik niet alleen onschuldig te zijn, maar wordt zelfs poeslief gevraagd naar de inspiratie voor mijn boeken. Het is dan twee uur ’s ochtends. Voor de bedremmelde figuren in uniform open ik de bundel, en laat ik enkele verzen lang de krachtige lyriek van Victor Hugo weerklinken, eerst in het Frans, vervolgens in Stassijns’ vertaling. Dat kan tellen als antwoord. Ik voeg er nog aan toe dat ze aanstonds deze tweetalige bundel hun kantoor moeten binnensmokkelen. Uitmuntend vertaalwerk en een uitgekiende selectie uit het oeuvre van hun grootste poëziereus, samengebracht in een klein boekje dat werkelijk te allen tijde van pas kan komen.

      Deze tekst verscheen in De Standaard der Letteren. Met de opbrengst kon ik de kosten aan mijn wagentje betalen! Dankuwel, cher Victor.

      De mooiste van Victor Hugo, Lannoo/Atlas, 2008.