zondag 31 augustus 2008

"Een embryonale engel aan wie geen vleugels zijn gegroeid"

Wat Balzac over de mens schreef, geldt evenzeer voor literaire tv-programma's.
Enkele maanden terug vroeg Michaël Vandebril van Antwerpen Boekenstad me of ik niet mee wou nadenken over een literair programma rond Honoré de Balzac en Auguste Rodin. Vanaf 12 oktober loopt in het Middelheimmuseum immers een tentoonstelling gewijd aan de Balzac van Rodin (zie foto). Bien sûr! Ik was blij dat ik mijn schouders kon zetten onder een project waar de Napoleon van de roman in Vlaanderen gefêteerd zou worden. Balzac is de eerste grote romancier uit de geschiedenis, en vond zowat in zijn eentje de blauwdruk van de moderne roman uit. Wat zouden Leo Tolstoi en Emile Zola zonder Balzac geweest zijn? Meer zelfs, wat zouden Tom Wolfe en Michel Houellebecq zonder de gigant voor elkaar gekregen hebben? Zeker in zijn laatste roman Mogelijkheid van een eiland zit Houellebecq duidelijk op Balzacs schoot. Dat Antwerpen wat vuurwerk wil afsteken ter zijner ere kan dan ook alleen maar toegejuicht worden. 
In de marge van de tentoonstelling zullen drie cafés littéraires georganiseerd worden. Het programma wisselt wervelende causerieën en boeiende panelgesprekken af met een toepasselijke streep muziek. Er wordt ook telkens een koffiedegustatie voorzien waarna een hedendaagse beeldhouwer de aanwezigen door het beeldenpark gidst. Koffiedegustatie? Jawel, aangedreven door zeeën koffie schreef Balzac zijn monumentale Comédie humaine bij elkaar. “Koffie verschaft je een koortsachtige opwinding! Hij komt je hersenen binnen als een losgeslagen vrouw”. 
Vandaag mocht ik op de Antwerpse cultuurmarkt aan gastheer Vitalski alvast enkele tipjes van de sluier oplichten. Er was hem gevraagd om mij gedurende tien minuten vragen te stellen dienaangaande, maar Balzac was al snel een aanleiding om heerlijk door te bomen over literaire voorkeuren, zonder daarbij basale, maar essentiële onderwerpen als de gastronomische en seksuele gewoonten van schrijvers uit het oog te verliezen. Stonden er aanvankelijk slechts een paar geïnteresseerden te luisteren, na een dik half uur kon een kleine ophoping van luisteraars waargenomen worden. Het bewijst dat literatuur kan boeien als er met de nodige humor én enthousiasme over gesproken wordt. Een onverwachte grap, al dan niet van speeksel voorziene gedrevenheid en enige ruimte voor improvisatie vermogen veel voor de mens in het algemeen, en voor de literatuur in het bijzonder. Ik hoop dat de makers van het nieuwe literaire programma op Canvas dat ook vinden, en dat ze ruimte en tijd vrij maken voor Balzaciaanse passie. Wat Balzac over de mens schreef, geldt immers evenzeer voor literaire tv-programma’s: “Een mens is pas echt een mens te noemen als hij een of andere hartstocht bezit. Een man zonder hartstocht, een volkomen onberispelijk wezen, is een wanstaltig wezen, een embryonale engel aan wie geen vleugels zijn gegroeid.” (Neef Pons, 1847)
Tentoonstelling : 12/10 tot 14/12 Café littéraire : zondagen 12/10, 9/11, 7/12 (11u-13u) Informatie : 03 828 13 50

zondag 24 augustus 2008

Niets is wat het lijkt (1) : Goochelen met namen

De klassieker Een heel leven voor je (La vie devant soi) waarmee Romain Gary de literaire kritiek in 1975 een neus zette, verscheen zopas in een nieuwe editie. Volgende keer meer hierover, nu alvast een kleine greep uit de ruime pseudoniemenanekdotiek die de literaire geschiedenis rijk is. 
Goochelen met namen is een oude traditie in de letteren. Pseudoniemen zijn ouder dan de boekdrukkunst maar werden vooral vanaf de achttiende eeuw populair. Voltaire (zelf al een anagram voor Arouet le jeune, waarbij hij geen onderscheid maakt tussen i en j, en u en v) wordt wel eens als recordhouder aangewezen met zijn 136 schuilnamen, maar ook Stendhal alias Henri Beyle zou de kaap van honderd bereikt hebben. Van pseudoniemanie gesproken. Ach, er zijn redenen te over waarom auteurs hun toevlucht zoeken tot een pseudoniem. Raymond de Belser vond zijn voornaam te Frans klinken voor een Vlaams schrijver en achtte zijn familienaam te gewoontjes, zodat hij koos voor het artistiekere en Vlaams correcte Ward Ruyslinck. Op het eerste gezicht lijkt het aannemen van een schuilnaam vaak een schijnbeweging waarbij men een naam die artistiek niet goed in de mond ligt, poogt te verbergen, maar vaak is er meer aan de hand. Dat Willem Elsschot en niet Alphonse de Ridder ons Kaas serveerde valt toe te schrijven aan het feit dat er al een A. de Ridder bestond die publiceerde, net zoals het voor de hand lag dat Hendrik Jan Marsman koos voor een schuilnaam (J. Bernlef). Soms hebben pseudoniemen een symbolische waarde, denken we maar aan Multatuli of Lévi Weemoedt. J.H.F. Grönloh koos dan weer voor Nescio omdat hij liever vermeed dat mensen uit zijn omgeving hoogte kregen van zijn schrijversbestaan. Gerard Stigter verzon de kale naam K. Schippers, een keuze die volgens hemzelf iets van een practical joke had. Helemaal grappig is dat Hendrik Conscience ooit met Hendrik Geweten tekende.
Zoals wel meer gebeurt bij debuterende auteurs, wou ook Honoré de Balzac aanvankelijk zijn echte naam verborgen houden. Om zijn pen te oefenen, en om het broodnodige geld binnen te rijven, schreef hij massa's goedkope stationsromannetjes, daarbij graag gebruik makend van aristocratisch klinkende namen als Horace de Saint-Aubin en Lord R'Hoone (anagram voor Honoré). Deze schuilnamen verborgen amper zijn latente verlangen om tot de adel te behoren, en niet veel later zou Honoré Balzac zichzelf op het aristocratische tussenvoegsel "de" trakteren. Uiteindelijk overtuigd van zijn kwaliteiten, ging hij in zee onder "eigen" naam. Soms gebeurt dan weer net het omgekeerde, een gevestigd schrijver die zijn artistieke reputatie niet wil bezoedelen met een politiek of erotisch gedurfd werk. Zo is er Mein Leben uit 1906 van Josefine Mutzenbacher, o.a. bekend omwille van het feit er 394 verschillende benamingen voor het mannelijk lid in voorkomen. Ondertussen is geweten dat Felix Santen -de geestelijke vader van het hertje Bambi!- als Mutzenbacher zijn minder onschuldige vaderlijke plichten heeft willen ontlopen. En wie schreef het sadomasochistische Histoire d'O (1954)? Officieel een zekere Pauline Réage, maar niemand die de dame ooit in levende lijve ontmoette. Het duurde tot 1994 vooraleer haar ware identiteit werd opgehelderd, en dat Dominique Aury, sinds 1960 respectabel jurylid van de Prix Femina, het veertigjarige masker aflegde. U dient te weten dat Dominique Aury eigenlijk al een schuilnaam was voor Anne Desclos. Van geheimhouding gesproken!
Als gevestigd auteur is het natuurlijk een goede tactiek een pseudoniem te nemen om de intrinsieke waarde van een werk te testen. De Franse auteur Romain Gary zorgde binnen dit kader wel voor de meest tot de verbeelding sprekende stunt. Succes was al ruimschoots zijn deel, een Prix Goncourt op de koop toe, wat niet wegneemt dat hij midden jaren '70 in de huid kruipt van Emile Ajar om zich als schrijver helemaal te vernieuwen en om de aandacht te richten op de tekst, waar het uiteindelijk toch om gaat, maar wat recensenten volgens hem vaak uit het oog verliezen. Bedrog met een verdienstelijk maar ook rancuneus kantje. Volgende keer meer over Gary’s indrukwekkende nummer.

donderdag 21 augustus 2008

"Het verslag van Brodeck". Donkere parabel over Goed en Kwaad van Philippe Claudel

In zijn bejubelde roman Grijze zielen (2003) tovert Philippe Claudel een uitgekiende, meeslepende intrige uit zijn hoed, gunt hij de lezer een heldere kijk in de hoofden van zijn personages en slaagt hij erin om de typische suggestiviteit van Simenon te koppelen aan Maupassants lucide kijk op het dagelijkse leven. Op de achtergrond van dit relaas van een kindermoord stroomt de mistige Maas van Lotharingen en dondert het geweld in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Een gebeurtenis, zonder meer. De vertalingen van ander werk volgden, en lieten zien dat de Fransman een auteur met vele gezichten is. In zijn nieuwe roman Het verslag van Brodeck knoopt hij echter weer aan bij het ambitieuze, epische register van Grijze zielen.
Claudel dropt de lezer in een afgelegen bergdorpje aan de Frans-Duitse grens. We schrijven W.O.II. Hoofdpersonage Brodeck wordt verzocht om uit te vlooien waarom de dorpsbewoners de “Anderer”, een zonderling die sinds enige weken in het dorp woont, op een dag hebben vermoord. Het officiële verslag waarin Brodeck verplicht wordt om de waarheid geweld aan te doen, krijgen we niet te lezen, maar wel Brodecks echte, in het geheim geschreven, relaas. 
In een trage, ingenieuze opeenvolging van flashbacks geeft dit duistere, troebele verslag zijn geheimen prijs. De mysterieuze gebeurtenissen in het dorp sinds de komst van de Anderer. De studiejaren van Brodeck in de hoofdstad waar hij getuige is van de plotse opkomst van gewelddadig racisme. Het tragische wedervaren van zijn tijdens de oorlog alleen achtergebleven vrouw. Brodecks lugubere kampervaringen. Claudel legt een lichte glans van soberheid en berusting over zijn evocatie van de kampen. Die serene houding sluit evenwel geen pakkende scènes uit zoals wanneer Brodeck meteen na de overwinning van de geallieerden woedend begint te blaffen tegen zijn verbouwereerde kampoverste. Net op het moment dat hij helemaal samenvalt met het beest in hem, vangt zijn lange reis aan naar het weer-mens-zijn, een tocht die het hele boek duurt, en dankzij het schrijven van zijn verslag afgerond wordt. 
Plaatsnamen worden niet vermeld, woorden als “joden” of “nazi’s” vallen op door hun afwezigheid. De kracht van dit boek ligt in de suggestie. Brodeck zoemt in op ogenschijnlijk onbelangrijke details. Terecht. Details kunnen de loop der dingen een beslissende wending geven, en vormen bovendien een kleefstof voor disparate herinneringen. Gaandeweg verzamelt het hoofdpersonage kleine literaire mozaïekjes en rijgt die ogenschijnlijk willekeurig aan elkaar. Zijn hand wordt evenwel vastgehouden door een Claudel die heel goed weet waar hij mee bezig is. 
Het is de auteur niet te doen om een zoveelste onthutsende beschrijving van de kampen noch om de thrillerachtige ontknoping van een moordzaak, al is hij schrijver genoeg om te beseffen dat hij de lezers met dergelijke verhaallijnen onweerstaanbaar zijn verhaal in zuigt. Deze donkere, vlotlezende roman, overstijgt de concrete context van moord, oorlog en genocide. De mysterieuze Anderer blijkt niet de enige buitenstaander. Brodeck kreeg de kans om te studeren, en vervreemdde zo op haast fatale wijze van zijn dorpsgenoten. Zijn relaas is de parabel van de mens die angst heeft voor de ander en suggereert dat het veiliger is onzichtbaar in de massa op te gaan. Anders zijn is volgens Brodeck een spiegel die haat als een onzichtbaar gif in de mensen pompt, een spiegel die uiteindelijk verbrijzeld wordt. Angst is het vehikel van die haat. 
Toch is Het verslag van Brodeck niet gitzwart. De Baudelairiaanse ambivalentie tussen schoonheid (les fleurs) en perversie (le mal) nestelt zich in alle hoeken van dit fijnmazige verhaal waarin bloemen niet zomaar een opvallende plaats toebedeeld krijgen. Het slechte wordt in deze roman geflankeerd door schoonheid. “Af en toe wordt er uit gruwelijkheid schoonheid, puurheid en gratie geboren.” Op het einde van de roman komt Brodeck pas echt te weten wat er met zijn vrouw tijdens de oorlog is gebeurd, en beseft hij dat hij de ultieme bloem van het kwaad in zijn eigen armen draagt. 
Philippe Claudel (1962) gaf les aan de universiteit van Nancy en aan gedetineerden, maar ontpopte zich de voorbije jaren vooral tot een van de belangrijkste Franse schrijvers van zijn generatie. Grijze zielen maakte hem vijf jaar geleden wereldberoemd en sindsdien verschenen zijn boeken (Zonder mij, Rivier van vergetelheid...) in 22 talen. Momenteel probeert hij ook naam te maken als cineast. (Philippe Claudel, Het verslag van Brodeck, De Bezige Bij, Amsterdam, 368 blz., 19,90 EUR, vertaald door Manik Sarkar - Deze recensie verscheen eerder in Knack op 2 april 2008)

zaterdag 16 augustus 2008

Te laat bij het nekvel. Tegenvallende Nothomb

Le nouveau Nothomb est arrivé. Haar zestiende roman ondertussen. De Franse pers, die haar de laatste jaren al wel eens een veeg uit de pan gaf, is deze keer ronduit lyrisch. Dat belooft, want een Nothomb in goede doen kan echt voor vuurwerk zorgen. Het duurt nooit lang, maar het sprankelt van jewelste. Ook De verloofde van Sado is een boek dat je op een avond uitleest. Ondanks alle Franse lof valt er helaas weinig lezersplezier te rapen in wat toevallig de tiende roman van Nothomb is die ik lees. Wat een fonkelende jubileumviering beloofde te worden, bleek een sisser van formaat.
Toch begint De verloofde van Sado sterk. Nothomb neemt ons mee naar 1989 wanneer ze op 22-jarige leeftijd terugkeert naar haar geboorteland Japan. Om te overleven besluit ze privé-lessen Frans te geven, en al snel serveert ze ons haar eerste les. De jonge Japanner Rinri bakt er in het begin niet veel van. Op de vraag wat hij zoal eet, antwoordt hij gezwind: “Oerrrhhh.” Het kost Amélie enige moeite om te weten te komen dat hij “ei” bedoelt. Ook grappig is dat hij haar aanvankelijk achteloos voorstelt als “zijn maîtresse”.
Als je weet dat Nothomb als geen ander bedreven is in verbale pingpong, verwacht je je in die context zeker aan een festijn van spitse dialogen. Helaas blijf je op je honger. Rinri en Amélie beginnen al snel een zachtmoedige relatie. “Hij nam me in zijn armen en liet me niet meer los”. Geen fatale passie, amper meningsverschillen, de twee lopen gemoedelijk naast elkaar in de pas. Deze relatie die nooit echt vuur vat, zorgt er voor dat ook het boek nooit in lichterlaaie staat. Nothomb probeert hun zouteloze avonturen te kruiden met haar gekende gejongleer met literaire en filosofische verwijzingen. De sfeer van een feestje dat ten einde loopt heet “nervaliaans” en een sobere maaltijd krijgt het etiket “rousseauistisch” opgespeld. Een grote badkuip wordt een “walvisbad” en meteen wordt een bruggetje gemaakt naar de bijbelse Jonas. Haar doorgaans verrassende intertekstuele spielereien zijn voorspelbaar geworden.
Nothomb zet in haar beste romans (Met angst en beven, Filippica’s) telkens de fundamentele slechtheid van de mens in de verf. Haar personages leven op voet van oorlog. Aanvankelijk vechten ze de strijd nog verbaal uit, maar uiteindelijk slaan ze vaak aan het moorden. Niets daarvan in De verloofde van Sado. Haar ondertussen bijna klassieke afstotelijke personages, groteske stijlpirouettes, wervelende steekspel van dialogen en wrange humor komen deze keer dan ook niet goed uit de verf. Reeds bij de lectuur van enkele recente romans (Plectrude, Gods ingewanden) bekroop je het gevoel dat er routine in haar succesformule begon te sluipen. Net evenwel wanneer je je afvroeg of Nothomb aan scherpte had ingeboet, schakelde ze onverbiddelijk in een hogere versnelling en tilde ze die romans bijtijds naar een hoger niveau. Dat gebeurt ook hier, maar veel te laat. Vanaf bladzijde 200 laat ze de halfslachtige pogingen om haar typisch proza te serveren varen en slaat ze een opvallend intimistische toon aan. En plots heeft ze je wel bij je nekvel vast. De dertig knappe slotbladzijden kunnen De verloofde van Sado helaas niet meer redden.
Helemaal op het einde van de roman kom je te weten dat de intrige zich vlak voor en tijdens Nothombs hachelijke avonturen uit Met angst en beven afspeelt. “Soms dacht ik dat mijn lijdensweg op kantoor de gerechte straf was voor mijn ondankbaarheid in de liefde. Japan nam me overdag weer af wat het me ’s nachts gaf.” Tijdens interviews stelt de schrijfster dat ze haar succes als schrijfster graag zou willen inruilen voor vriendschap en liefde. Het is haar van harte gegund, maar de miserie overdag bezorgde ons in 1999 een sterke roman, terwijl de liefde en vriendschap ’s nachts nu een erg matig boek opleveren.

Sinds 1992 en het indrukwekkende Hygiëne van de moordenaar presenteert Amélie Nothomb elk jaar na de zomer trouw een nieuwe literaire boreling. De kleurrijke Belgische schrijfster publiceert op het ritme van een metronoom. Met haar radde tong en niet onaardige snoetje steelt ze de show in talrijke interviews en tv-optredens waarbij ze met plezier opvallende oneliners dropt over haar pathologische schrijfdrang ("ik schrijf 3,7 romans per jaar"), haar vroegere anorexia ("ik was Buchenwald") en haar bizarre eetgewoonten ("ik eet voornamelijk rot fruit en bedorven kaas"). Nothomb ligt goed bij de kritiek, maar is vooral een onweerstaanbare publiekslieveling. (Amélie Nothomb, De verloofde van Sado, Manteau, vertaald door Marijke Arijs - Deze tekst verscheen eerder in Knack op 30 april 2005)

woensdag 6 augustus 2008

Zwaar en hels is de liefde. Verbluffende roman van Régis Jauffret

In Gekkenhuizen! sleept Régis Jauffret je halsoverkop mee in de verwarring en het verdriet van Gisèle die door haar man Damien wordt verlaten. Schoonvader François komt haar het nieuws melden. Zoonlief durft niet. Solange, de moeder van Damien, vindt later dat haar man zich niet fijnzinnig genoeg van zijn taak gekweten heeft. Ze staat erop om dan maar zelf terug te gaan, haar schoondochter weer hoop te geven en enkele weken later met een perverse zucht van wellust alle (verzonnen) hoop opnieuw de kop in te drukken. “Je denkt dat ik gek ben, en je hebt gelijk. Ik ben zijn moeder. Tegelijk met het vruchtwater heb ik mijn verstand verloren.” Jauffret veegt in dit boek inderdaad heel wat zotternij bij elkaar en trakteert de lezer op een indrukwekkende portie psychologisch ramptoerisme.
Hij vereenzelvigt zich telkens zo sterk met een welbepaald personage dat hij in een conversatie plots alleen maar zijn of haar uitlatingen weergeeft. Zo monden de conversaties uiteindelijk uit in een bonte opeenstapeling van alle mogelijke uitspraken die je in welbepaalde omstandigheden (bv. het vertellen aan een vrouw dat je zoon haar verlaten heeft) allemaal zou kunnen doen. Het is een manier om aan te tonen dat niets is wat het lijkt. Dat wanneer hoofdpersonage Gisèle a zegt, ze eigenlijk tegelijk ook b had kunnen zeggen. In Jauffrets universum jagen personages en verteller de juiste woorden na zonder die ooit te vinden. Zinnen botsen tegen elkaar. Mensen spreken zichzelf voortdurend tegen. Jauffret exploreert de woelige spinsels van overkokende hersenpannen.
Hij doet dit niet bepaald op een alledaagse manier: zijn taal glanst van energie en overrompelt de lezer. Onvermoeibaar laat de auteur nu eens grappige dan weer verbijsterende zinnen op je los, en schudt hij de ene verrassende associatie na de andere uit zijn pen. Een voorbeeldje: “Hij zag zijn pik voor een vaandel wanneer het ding zich in bed verhief met de vulgariteit van het soort mensen dat het deftig vindt om hun pink in de lucht te steken bij het oppakken van hun theekopje als ze op visite zijn bij een nephertogin van wie de verlepte, verrimpelde, verrotte huid doet denken aan het parket van haar boudoir met zijn planken gemaakt van doodskisten die zijn opgedolven na drie eeuwen grafkelder.” Jauffret produceert dergelijke volzinnen aan de lopende band, en houdt dit moeiteloos bijna tweehonderd bladzijden vol. Het is opmerkelijk dat zijn verbaal spervuur nooit aan kracht inboet. Stilistisch bekeken is Gekkenhuizen! dan ook een virtuoze roman. Maar is het ook een goede roman?
Die vraag kan gelukkig positief beantwoord worden. Het had echt zonde geweest mocht de verbluffende stijl uiteindelijk alleen maar de fraaie verpakking van een lege doos zijn. Met een scalpeermes ontleedt Jauffet een familie en legt zo een verstikkende moeder-zoon-relatie bloot. “Zwaar en hels is de liefde van een moeder”. Damien wordt er maar net niet door vermorzeld. Eigenbelang is de motor van die moederliefde. “Je zult het zien als je zelf kinderen hebt. Je vergeeft ze alles. Puur uit egoïsme. Anders zou je er te zwaar onder lijden.” Op het einde van de roman roept Gisèle uit dat “alle families gekkenhuizen zijn”. Zelf probeert ze met die wetenschap te leven door haar ouders te wantrouwen “als waren ze een stel tijgers”. Tot haar ontzetting moet ze vaststellen dat haar poging om Damien uit “die inrichting” te bevrijden smartelijk is mislukt.
Jauffret haalt alles uit de kast om aan te tonen hoe krampachtig de mens met liefde omspringt. Wat dat betreft, drukt hij vrank en vrij de voetsporen van Michel Houellebecq. Hij duwt de verbouwereerde lezer niet zomaar in een verbale rollercoaster, hij wil ook echt iets zeggen. “Ook nu nog wordt de liefde veelvuldig gebruikt in marketing en reclame, terwijl gezinnen het meestal zonder doen.” Gisèle lijdt omdat zij ondanks alles in de liefde gelooft. Jauffret steekt de draak met dergelijke onuitroeibare gevoelens en smijt het menselijke falen meesterlijk in het gezicht van de lezer.
Régis Jauffet (1955) gold al enkele jaren als de absolute geheimtip van de Franse letteren. In 2005 won hij met zijn dertiende roman Gekkenhuizen! de Prix Fémina. Na dit boek schreef hij op tien maanden tijd het meer dan duizend bladzijden tellende Microfictions (2007). De eeuwige belofte wordt nu aanzien als een groot schrijver. (Régis Jauffret, Gekkenhuizen!, Arbeiderspers, 196 blz., vertaald door Martin de Haan en Rokus Hofstede. Dit stuk verscheen eerder in Knack (18 juni 2008).